Engeland Informatie
Geografie Historie Bevolking Cultuur Klimaat Natuur
Wereldbol Index Engeland
Wereldbol Kaart Engeland
Wereldbol Reisverslag Engeland
Wereldbol Fotoalbum Engeland
Wereldbol Links
Engeland is natuurlijk een land met een gigantische historie waar deze pagina (veel) te klein voor is. Daarom moet je de hier door mij gegeven informatie meer zien als wat algemene informatie over Engeland. Deze kun je gebruiken als achtergrond informatie mocht je Engeland (ooit) gaan bezoeken.

Geografie:

Engeland is een voormalig koninkrijk dat tegenwoordig onderdeel van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland is en ligt in Noordwestelijke deel van Europa tussen de Noordzee en de Atlantische Oceaan. De twee eilanden die onderdeel zijn van het VerenigdKaart van Zuid Engeland. Koninkrijk omvatten in totaal vier gebieden die overeenkomen met de landen die in het koninkrijk zijn verenigd:

Het eiland Groot-Brittannië omvat:

  • 1. Engeland in het zuiden (50,7 miljoen inwoners).
  • 2. Schotland in het noorden (5,1 miljoen inwoners).
  • 3. Wales in het westen (2,9 miljoen inwoners).

Op het noordoostelijke deel van het Ierse eiland:

  • 4. Noord-Ierland (1,7 miljoen inwoners).

Deze gebieden hebben nog altijd een duidelijk herkenbare eigen identiteit met culturele, maar deels ook politieke verschillen, die hoorbaar zijn in de verschillende talen en dialecten die er gesproken worden en zichtbaar is in onder meer vlaggen, bankbiljetten en plaatsnaam borden. Sinds kort hebben Noord-Ierland, Schotland en Wales een beperkte mate van zelfbestuur gekregen. In principe is Engeland dan ook geen land maar meer één van de 'vier landen in één land' en kan alleen het Verenigd Koninkrijk worden gezien als een soevereine staat. Engeland moet dan ook meer worden gezien als een begrensd gebied met een eigen identiteit. De naam Engeland werd vroeger ook gebruikt om heel Groot-Brittannië of het Verenigd Koninkrijk aan te duiden. Met de opkomst van het Schotse nationalisme in de jaren 1930 verdween deze gewoonte. Tegenwoordig geldt dit gebruik van het woord Engeland als politiek incorrect, vergelijkbaar met de aanduiding Holland voor geheel Nederland. Veel van de gegeven (algemene) informatie op deze pagina heeft niet alleen betrekking op Engeland alleen maar op het Verenigd Koninkrijk in zijn geheel.
Engeland, met de hoofdstad Londen, is ongeveer 3x zo groot als Nederland en ligt in het zuidelijke deel van het eiland Groot-Brittannië en heeft een totale oppervlakte van 130.422 km² wat 54% van de oppervlakte van het Verenigd Koninkrijk is. Engeland ligt ten noordwesten van het Europese vasteland vlakbij Frankrijk slechts gescheiden door Het Kanaal met een breedte van ongeveer 36 kilometer. Het grenst in het noorden aan Schotland, in het westen aan Wales, in het oosten aan de Noordzee en in het zuiden, zoals gezegd, aan Het Kanaal. De totale kustlijn van Engeland bedraagt 1851 km en geen enkele plaats ligt meer dan 121 km verwijderd van de zee. Tot Engeland behoren ook de Kanaaleilanden Jersey, Guernsey, Alderney en Shark, het Isle of Man, het Isle of Wight, en de Isles of Scilly, waaronder St. Mary’s.  Engeland kent negen bestuurlijke regio's, die weer zijn onderverdeeld in 82 graafschappen (counties). Het Verenigd Koninkrijk kent vanuit het verleden een indeling in graafschappen waarbij de huidige vaak overeen komen met die historische of traditionele graafschappen.

Engeland heeft een groot aantal relatief kleine rivieren waarvan er 55 bevaarbaar zijn. De grootste is de Theems (Thames) die 336 km lang is en waarvan maar 280 km bevaarbaar is. Ook de meren zijn niet groot. Lake Windermere is met 15 km² het grootste meer van Engeland. Vroeger was Engeland voor een groot deel bedekt met bossen. Daarvan is niet veel meer over, op een paar bosrijke gebieden na zoals de New Forest bij Southampton en Sherwood Forest in de buurt van Nottingham.
Het kustlandschap van Engeland is zeer gevarieerd, van kiezelstranden en krijtrotsen in Sussex tot uitgestrekte zandstranden in het noorden van Norfolk. Het zuidwesten kent witte zandstranden waar populaire badplaatsen liggen als Brighton en Blackpool. Verder kunnen we Engeland landschappelijk gezien opdelen in 4 streken:

  • Zuidoost-Engeland of het ‘Londense platteland’: dit deel heeft een gevarieerd landschap met veel bomen, bossen en parken. In het noordwesten hebben we de Chiltern Hills, in het zuiden de North Downs en de South Downs die uitlopen in gigantische krijtrotsen waarvan de White Cliffs langs Het Kanaal de meest zichtbare resultaat.
  • Zuidwest-Engeland: hier zijn de graafschappen Devon en Cornwall met elkaar verbonden door een granieten bergkam met hooggelegen, stenige heidevelden en rotspunten. De lange kust biedt een breed scala aan landschappen, variërend van indrukwekkende rotsbastions, baaien en zeearmen die tot diep in het binnenland reiken met beboste oevers.
  • De Midlands in Midden-Engeland: dit wordt in het noorden en westen begrensd door het Penninisch Gebergte en de bergen van Wales. In het zuiden en oosten loopt een vage grens die gevormd wordt door brede dalen, rivieren met op de achtergrond de steile hellingen van bergketens, onder andere de Cotswolds Hills. Elders is het landschap gevarieerder met heuvelland, heidevelden en beboste gebieden.
  • Noord-Engeland wordt gekenmerkt door hooggelegen heidevelden en ruige bergen. Hier ligt het Penninisch Gebergte met aan weerskanten uitgestrekte laagvlakten, onder andere de Cheshire Plain en de Lancashire Plain. Aan de oostkant ligt een vruchtbaar gebied, dat in noordelijke richting uitloopt in de Vale of York en naar zee wordt begrensd door krijtplateaus. In het uiterste noorden zijn de onherbergzame Cheviot Hills de afgesleten overblijfselen van oude vulkanen. De Yorkshire Dales heeft een kenmerkend kalklandschap met plateaus en hoge heuvels met afgeplatte toppen, waaronder de 693 meter hoge Pen-y-Gent, maar ook kloven, rotswanden, grotten en onderaardse rivieren.
    Ten oosten van het Penninisch Gebergte beslaat het North York Moors National Park een brede heidevlakte. In het westen bevindt zich het Lake District met de hoogste bergtoppen van Engeland, zoals de Scafell Pike van 978 meter. Deze streek kent een grote verscheidenheid van berglandschappen, van woeste rotsen tot mooie parklandschappen bij het Windermere Lake.

Historie:

Naar boven

De historie van Engeland is altijd nauw verweven geweest met die van de omringende landen als Schotland, Wales en Ierland. Dus de hier geschreven historie van Engeland is vaak de historie van een of meerdere landen en dit is zeker het geval vanaf 1707 toen Engeland feitelijk op hield te bestaan door de samenvoeging met Schotland en Wales in het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië.
Helemaal precies is het niet bekend maar vondsten van beenderen en werktuigen hebben uitgewezen dat er al ongeveer 700000 jaar geleden mensen in het huidige Engeland leefde. Zuid Engeland was in die tijd nog door een brede strook land verbonden met het vasteland. Ook in latere tijden leefden er mensen op de Britse eilanden afgewisseld door tijden zonder bewoning doordat er ijstijden waren die te koud waren voor menselijke bewoning. Net als in de rest van (Noord)Europa heerste er 15000 jaar tot 10000 jaar geleden de laatste ijstijd. De toendra’s maakten hierna plaats voor een afwisselende begroeiing met vooral in het zuiden en westen dichte bossen. Ongeveer 6500 jaar voor het begin van onze jaartelling werd het warmer en steeg het water zover dat de landbrug tussen het huidige Engeland en Frankrijk werd weggespoeld en Het Kanaal ontstond. Uiteraard hadden deze veranderingen grote invloed op al het leven op het net ontstane eiland. Sommige dieren werden zeldzamer terwijl andere floreerden. Tot in de verste uithoeken van Schotland zijn uit deze periode sporen van bewoning gevonden. Omstreeks 4500 jaar v. Chr. deden landbouw en veeteelt hun intrede op de Britse eilanden. Dit meer uit noodzaak als uit andere gronden doordat, door bevolkingsgroei en overbejaging, het wild niet meer voldoende kon voorzien in de voedselbehoefte van de mensen. Het nomadenbestaan maakte plaats voor wonen in permanente nederzettingen, waar boeren voedsel verbouwden, ambachtslieden werktuigen vervaardigden, handelaren contacten onderhielden tussen verschillende gebieden en leiders de orde handhaafden.
In de bronstijd, zo rond 1500 v. Chr., kwamen er mensen uit de Donau vallei en nog later (tussen 600 en 400 v.Chr.) kwamen de Kelten naar Engeland. In 55 v. Chr. probeerde Julius Caesar Engeland te veroveren maar werd in eerste instantie verslagen door de Britten. Een jaar later kwam hij terug en overwon toen wel. De Romeinen brachten rijkdom met zich mee (en later ook het christelijk geloof) en rond de kampen die ze opbouwden voor hun legioenen, ontstonden steden. De stammen uit het noorden bleven echter steeds weer Romeinse steden overvallen en in 125 n. Chr. bouwden de Romeinen de Muur van Hadrianus om hen op afstand te houden. In de 5e eeuw verlieten de Romeinen Engeland vanwege aanvallen op Rome en werden de Britten aan hun lot overgelaten. Hierop vroegen de Britten hulp aan Germaanse stammen om deze troepen uit het noorden (Gaels) op afstand te kunnen houden maar in plaats van te helpen vielen deze stammen zelf binnen. Vanaf de 7e eeuw volgden de aanvallen van de Noormannen die ook wel Danes worden genoemd omdat ze vaak uit Denemarken afkomstig waren. Na een aantal lange oorlogen werd er in de 9e eeuw een verdrag gesloten (de "Danelaw") waarbij de Noormannen de noordoostelijke helft van het eiland kregen. Langzaam vermengden de twee groepen zich steeds meer en in het jaar 1016 werd het land weer één onder koning Knoet de Grote. De jaren erop werden gekenmerkt door een veelvuldige wisseling van koningen elk met hun eigen ideeën, beleid en oorlogen. Uiteraard heeft dat geleid tot vele geschillen die vaak in een bloedige en langdurige strijd werden beslist. Een aantal belangrijke koningen zijn Willem de Veroveraar, Hendrik II, Eduard I, Eduard III, Richard II, Hendrik V, Eduard IV, Hendrik VII.
Wij zijn in tussen rond 1500 n. Chr. en de opkomst van de renaissance aangeland alsKoning Hendrik VIII Hendrik VIII in 1509 als koning van Engeland wordt gekroond. Hij was intelligent en geïnteresseerd in kunst en wetenschap. Hij werd echter ook beschouwd als liefdeloos, egoïstisch en wreed. Tegenstrevers, echtgenotes of dienaren die hem in de weg stonden ruimde hij meedogenloos uit de weg. Hendrik was berucht vanwege zijn huwelijksperikelen; hij heeft zes vrouwen gehad, waarvan hij er twee liet onthoofden. Tijdens zijn bewind werden Engeland en Wales wettelijk verenigd in één koninkrijk, meer dan twee eeuwen na de verovering van Wales door Engeland. Een nog belangrijker ontwikkeling was de afscheiding van de Anglicaanse Kerk van de Kerk van Rome, vanwege een conflict met de paus over de ontbinding van zijn eerste huwelijk. Hiermee werkte hij onbedoeld de protestantse reformatie in de hand.

Koningin Elizabeth I, de dochter van Henry VIII, regeerde van 1558 tot 1603 en maakte van Engeland een wereldmacht. Ze zorgde ervoor dat de invloed van de Spanjaarden, in 1588 werd de Spaanse Armada verslagen, en Fransen afnam. Ook maakte ze een begin met de verovering van kolonies. Na Elizabeth volgden een paar staatshoofden, waar onder Charles I, Oliver Cromwell en William III, die de absolute macht in handen hadden.

In 1707 hield Engeland (en Schotland) feitelijk op te bestaan als zelfstandig land omdat onder de eerste Act of Union het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië was ontstaan (Wales was al eerder geleidelijk opgegaan in Engeland). Een tweede Act of Union voegde in 1800 Ierland hieraan toe om zo het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Ierland te vormen; deze laatste samenvoeging ging in op 1 januari 1801. De Ierse strijd om de onafhankelijkheid verdween nooit geheel. In 1916 werd in Dublin een Ierse Republiek uitgeroepen die in 1919 werd geratificeerd door het zelfbenoemde Ierse parlement. Hierop ontstond de Engels-Ierse oorlog tussen troepen van de kroon en het leger van de Ierse Republiek en duurde van januari 1919 tot juni 1921. Bij het verdrag van 1921 werd de Ierse Vrijstaat uitgeroepen, die vervolgens uit het Britse Gemenebest trad en na de Tweede Wereldoorlog een republiek werd. De zes noordelijke, overheersend protestantse, graafschappen bleven deel uitmaken van het Verenigd Koninkrijk. Sinds 1927 is de officiële benaming dan ook "Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland".
In 1714 besteeg George I als eerste koning van het Huis Hannover de Engelse troon en werd later opgevolgd door zijn zoon George II (1727-1760). Tot ongeveer 1760 beheersten de Prime Minister Robert WalpoleWhigs de binnenlandse politiek, daarna kwamen de Tories aan de macht. De feitelijke macht in de binnen- en buitenlandse politiek was echter in handen van Robert Walpole, die streefde naar vrede en verhoging van de welvaart. Toch lukte het Groot-Brittannië niet om buiten de Europese oorlogen te blijven; men nam onder andere deel aan de Oostenrijkse Successieoorlog en de Zevenjarige Oorlog. In 1760 werd George III koning en bij de Vrede van Parijs vielen Canada, Nova Scotia, Cape Breton Island en een aantal West-Indische eilanden aan Groot-Brittannië toe. Ook kreeg het de alleenheerschappij in Indië. Van grote betekenis voor de wereldgeschiedenis was de Amerikaanse Vrijheidsoorlog (1775-1783), waarbij de Amerikaanse kolonies zich vrijvochten van Groot-Brittannië. Hoewel de Franse Revolutie aanvankelijk bewondering oogstte in Groot-Brittannië, brak op 1 februari 1793 de Frans-Britse oorlog uit. In 1802 sloot Groot-Brittannië met Frankrijk de Vrede van Amiens, maar in 1803 volgden nieuwe vijandelijkheden. Groot-Brittannië verwierf bij de definitieve vrede onder andere de Kaapkolonie, Ceylon (nu Sri Lanka), Malta en de Ionische Eilanden bij Griekenland.

In de 19e eeuw bereikte Groot-Brittannië het toppunt van haar politieke en economische macht. De slavenhandel werd in 1807 afgeschaft, de slavernij pas in 1833. Na George IV (1820-1830) en William IV (1830-1837) kwam koningin Victoria uit het Huis Hannover aan de macht. De grote exploitatie van de arbeidersklasse had al geleid tot het oprichten van arbeidersorganisaties en in de tweede helft van deze eeuw kwam het politieke en economische liberalisme tot grote ontplooiing. Sinds de jaren zestig stonden alleen de conservatieven en de liberalen als politieke stromingen tegenover elkaar. De buitenlandse politiek stond in het teken van de Krimoorlog en de reactie op Italiaanse en Duitse politiek leidde tot een politiek van interventie en uitbreiding van de Britse wereldmacht. De tweede helft van de 19e eeuw werd vrijwel geheel beheerst door de conservatieve Disraeli en de liberale Gladstone. In 1884 werden bijna alle volwassen mannen kiesgerechtigd tijdens het tweede ministerie van Disraeli en werd er door hem een begin gemaakt met de imperialistische politiek van Groot-Brittannië. Eind 19e eeuw werden er verschillende politieke arbeiderspartijen opgericht, die zich in 1906 verenigden tot de Labour Party.
In 1901 werd koningin Victoria opgevolgd door Edward VII van het Huis Saksen-Coburg en van 1905 tot 1915 regeerden de liberale premiers Campbell-Bannerman en Asquith. Noodgedwongen koos Groot-Brittannië in 1904 de zijde van Frankrijk middels de Entete Cordiale, en wist daardoor andere mogendheden in Europa op een afstand te houden wat betreft de hegemonie in de wereld.
In 1915 werd Groot-Brittannië meegesleept in de Eerste Wereldoorlog en in 1916 maakte een coalitieregering plaats voor een oorlogskabinet onder leiding van Lloyd George. Opmerkelijk was dat de toenmalige koning George V (1910-1936) al zijn Duitse titels opgaf en veranderde de naam van Saksen-Coburg in Windsor. Gedurende de Eerste Wereldoorlog werd de onafhankelijkheid van Ierland afgerond. Na de oorlog kwam Groot-Brittannië voor zeer ernstige politieke kwesties te staan en door grote binnenlandse sociale onrust traden in de jaren ’20 en ’30 de eerste Labour kabinetten aan. Eind jaren ’30 dreef de economische wereldcrisis alle politieke stromingen tot elkaar (kabinetten MacDonald, Stanley en Chamberlain) in een ultieme poging de zwaar gehavende economie enigszins te herstellen.
Het herstel was echter nauwelijks in gang gezet toen het fascistische Italië en het nationaal-socialistische Duitsland Groot-Brittannië in het nauw dreven. Eerst beleefde men nog een heuse koningscrisis waarbij Edward VIII werd opgevolgd door zijn broer George VI (1936-1952). Op buitenlands gebied was men vrijwel stuurloos en men sloot in 1938 zelfs nog een overeenkomst met Hitler Duitsland, die waardeloos bleek te zijn. Ondanks bijna desperateSir Wnston Churchill pogingen tot bemiddeling raakte ook Groot-Brittannië betrokken bij de Tweede Wereldoorlog. Toen Hitler Polen binnenviel, antwoordde Groot-Brittannië samen met Frankrijk op 3 september 1939 met een oorlogsverklaring aan Duitsland. In mei 1940 vormde Winston Churchill een coalitiekabinet en nam de leiding van de oorlogvoering op zich. Op het Europese vasteland, in Azië en in Afrika verliep de strijd aanvankelijk dramatisch en verloren duizenden Britse soldaten het leven. Desondanks bleef Groot-Brittannië zich onder leiding van zijn grote politieke en militaire leiders Winston Churchill en generaal Montgomery handhaven. Ten slotte lukte het de geallieerden, waaronder vooral de Verenigde Staten, in mei 1945 Duitsland te verslaan.

De eerste verkiezingen na de oorlog werden glorieus gewonnen door Labour, onder leiding van Attlee. Er werd in die eerste jaren na de oorlog ook begonnen met de dekolonisatiepolitiek waarbij Groot-Brittannië zich onder andere terugtrok uit India en Birma. In 1951 kwamen de conservatieven weer aan de regering en bleven dat tot oktober 1963, respectievelijk onder leiding van achtereenvolgens Churchill, Anthony Eden en Harold MacMillan. In 1952 werd George VI opgevolgd door zijn dochter Elizabeth II. De eerste jaren van de periode MacMillan (januari 1957-oktober 1963) verliepen aanvankelijk vrij voorspoedig, maar de economisch-financiële politiek miste een vaste beleidslijn en vooral sinds 1962 steeg de werkloosheid onrustbarend. In 1961 besloot de regering MacMillan wel om toe te treden tot de Europese Economische Gemeenschap (EEG) maar dat stuitte in januari 1963 nog op het veto van Frankrijk dat toen onder leiding stond van Charles de Gaulle. MacMillan werd in oktober 1963 opgevolgd door Douglas-Home maar de verkiezingen van november van dat jaar werden gewonnen door Labour onder Harold Wilson. Door allerlei problemen brokkelde het prestige van de regering-Wilson steeds verder af en de verkiezingen van 1970 leverden dan ook een overwinning op voor de conservatieven onder leiding van Edward Heath. De regering-Heath kregen te kampen met ernstige sociale onrust maar boekte wel een succes met de toetreding tot de EEG op 1 januari 1973. In april 1976 werd Wilson, die zich om persoonlijke redenen terugtrok, opgevolgd door Callaghan, voordien minister van Buitenlandse Zaken. Hij werd met zo veel economische en sociale problemen geconfronteerd dat de verkiezingen in mei 1979 niet verrassend gewonnen werden door de conservatieven. De voorzitster van de Conservatieve Partij, Margaret Thatcher, nam de plaats van Callaghan in.

De verkiezingen van 1987 werden opnieuw gewonnen door de conservatieven. Tijdens de Golfcrisis in augustus 1990 probeerde Thatcher haar beschadigde imago op te vijzelen. Ze stuurde schepen, vliegtuigen en troepen naar de Perzische Golf, maar het mocht niet baten. John Major forceerde in oktober 1990 de toetreding tot het EMS en in november trad Howe uit het kabinet, die het verzet van Thatcher tegen verdere Europese integratie fel veroordeelde. Hierop begon Michael Heseltine het leiderschap van Thatcher ter discussie te stellen. Na twee verkiezingsrondes in november werd duidelijk dat Thatcher niet meer op een meerderheid kon rekenen en zij hield de eer aan zichzelf en zij trad op 22 november 1990 af. Zij werd opgevolgd door John Major die echter ook veel moeite had met een grotere integratie binnen de EG. Op de Europese topconferentie in Maastricht (9-10 december 1991) werd dan ook op belangrijke punten een uitzondering gemaakt voor de Britten. Het Britse koningshuis kende ondertussen ook grote problemen, zoals de scheiding van tafel en bed tussen kroonprins Charles en prinses Diana, en de scheidingen van prinses Anne en prins Andrew. Eind 1996 kwam er officieel een einde aan het huwelijk tussen Charles en Diana.

Mede als gevolg van een aantal schandalen leden de Conservatieven van Major enkele zware nederlagen in tussentijdse en regionale verkiezingen. Het kwam zelfs zover dat er enkele conservatieve Lagerhuisleden overstapten naar Labour en eind 1996 raakte Major zijn meerderheid in het Lagerhuis kwijt. Ondertussen wist de jeugdige Labourman Tony Blair de Labour Party steeds meer te moderniseren, nadat hij in 1994 de leider van de Labour Party was geworden. In mei 1997 leidde Tony Blair de Labour Party naar de grootste verkiezingswinst ooit. Hij werd tevens de eerste Labour-premier sinds 1979. In de eerste jaren van Blairs bewind werden er referenda gehouden over de vraag of Schotland en Wales beperkt zelfbestuur zouden krijgen. Het antwoord van de bevolking was onmiskenbaar ja en daardoor werden er in de loop van 1998 parlementen met beperkte bevoegdheden geïnstalleerd. Voor de buitenlandse politiek was het belangrijk dat de Britse regering in oktober 1997 besloot om niet toe te treden tot de Economische en Monetaire Unie. Opmerkelijk maar niet onverwacht was de beslissing om het Amerika van Clinton te helpen met het bombarderen van Irak als sanctie voor het niet nakomen van beloftes aan de Verenigde Naties. In mei 1999 werden er voor het eerst parlementsverkiezingen gehouden voor het nieuwe Schotse en Welshe parlement. Labour werd in beide gevallen de grootste partij zonder een meerderheid te behalen. De parlementsverkiezingen van 7 juni 2001 werden glansrijk gewonnen door de Labour Party van Blair (412 van de in totaal 659 zetels). Het was de eerste keer in de parlementaire geschiedenis dat een Labour-regering een tweede achtereenvolgende termijn kreeg, ondanks de laagste kiezeropkomst in ongeveer een eeuw. Tweede partij met 166 zetels werd de Conservative Party en derde partij de Liberal-Democratic Party met 52 zetels. Verder waren er acht partijen met zes zetels of minder, waarvan de bekendste uit Noord-Ierland komen: de Ulster Uninonist Party en Sinn Féin. Naar aanleiding van de verkiezingsuitslag trad de leider van de Britse conservatieven, William Hague, af.

Bij de verkiezingen van 5 mei 2005 leidde Tony Blair zijn partij naar een historische derde zege op rij. Op 7 juli 2005 werd Londen getroffen door terroristische aanslagen, waarbij 56 doden en meer dan 700 gewonden vielen. De Britse samenleving was geschokt en tevens in verwarring gebracht door het nieuws dat de aanslagen zijn gepleegd door zelfmoordenaars die de Britse nationaliteit bezaten en ogenschijnlijk goed geïntegreerd waren in de Britse samenleving. Overigens zijn de aanslagen opgeëist door Al-Qaida, die als reden het Britse Irak-beleid aangaf. Op 4 mei 2006 zijn lokale verkiezingen gehouden, die een groot verlies voor Labour opleverden, meer dan 300 Labour raadsleden verloren hun zetel. Op 27 juni 2007 volgt Gordon Brown Tony Blair op als premier van het verenigd Koninkrijk.

Bevolking:

Naar boven

Engeland (genoemd naar de Angelen, een van de Germaanse stammen die na het vertrek van de Romeinen vanuit het Europese vasteland het eiland koloniseerden) heeft ca. 51 miljoen inwoners en dat is ca. 80% van het totale aantal inwoners van het Verenigd Koninkrijk (60 miljoen). De bevolking is voor 89% woonachtig in steden en voorsteden. In 2003 had Engeland een bevolkingsdichtheid van 241 mensen per km². Al die mensen wonen niet gelijk verdeeld over het hele land. In de West Midlands wonen bijvoorbeeld bijna 3000 mensen per km². Oxfordshire and Norfolk zijn gebieden waar de bevolkingsdichtheid onder het nationale gemiddelde licht. In de buurt van de Schotse grens, in Cumbria en Morthumberland, wonen maar 75 mensen per km2.
Londen is de dichtstbevolkte stad van Engeland met in wijken als Chelsea en Kensington meer dan 13.000 inwoners per km2. De bewoners van Engeland stammen af van een aantal bevolkingsgroepen die zich in de loop van millennia op de Britse Eilanden vestigden. De laatste invasie was die van de Normandiërs in 1066. Vóór de Normandiërs zijn verschillende pre-Keltische en Keltischtalige bevolkingsgroepen naar Groot-Brittannië en Ierland gekomen, gevolgd door Romeinen (55 v.C. - 410 n.C.), Angelsaksen, Friezen en de Vikingen uit Denemarken en Noorwegen. Na de Tweede Wereldoorlog nam aantal immigranten uit het Britse Gemenebest die in het Verenigd Koninkrijk kwam wonen flink toe. Deze immigranten en hun nakomelingen werden in 1995 op 4% van de totale bevolking geschat. De immigranten van net na de oorlog waren nodig om het grote tekort aan arbeidskrachten te verminderen. De regering probeerde dit probleem op te lossen door immigranten uit voormalige koloniën als India en Pakistan en uit overzeese gebiedsdelen in Afrika en het Caribisch gebied aan te trekken. Het totale aantal liep in de jaren ’50 en ’60 van de vorige eeuw in de honderdduizenden. Een groot gedeelte van hen woont in de stedelijke gebieden van onder andere Londen en Manchester. In Leicester, Birmingham en Bradford wonen veel mensen van Aziatische afkomst terwijl in Londen veel immigranten uit Afrika en het Caribische gebied wonen. Sinds 1962/1968 werd immigratie aan steeds strengere regels gebonden en liep het aantal immigranten terug. In de jaren zeventig van de vorige eeuw kwamen er vooral veel vluchtelingen naar Engeland, onder andere uit Uganda, Bosnië, Somalië, Afghanistan en Oost-Turkije. Op dit moment is ca. 6% van de Engelse bevolking niet blank. Tijdens de Industriële Revolutie zijn er veel mensen uit Schotland, Wales en Ierland komen wonen en in de 19e en de 20e eeuw was Engeland ook zeer populair bij Russische, Poolse, Vietnamese en joodse vluchtelingen. De staatskerk in Engeland is sinds 1534 de Aglicaanse kerk (The Church of England). Wereldwijd zijn er zo’n 75 miljoen aanhangers van de Anglicaanse kerk. Ongeveer 42 miljoen hiervan wonen in het Verenigd Koninkrijk.

Cultuur:

Naar boven

Engeland kent een lange culturele historie met een grote variatie en deze pagina zou (veel) te klein zijn om hier uitgebreid op in te gaan. Het Engelse culturele erfgoed is erg uitgebreid en kent allerlei facetten binnen de literatuur, bouwkunst, theater en muziek. Er zijn mysterieuze bouwwerken, als het beroemde Stonehenge, heuvelforten, Romeinse villa's en versterkingen, kerken, kloosters, kathedralen, kastelen, landhuizen en musea. De statigeStonehenge. landhuizen, de “country houses” of te wel de cottages en de vele kastelen behoren tot de “traditionele” Engelse cultuurgeschiedenis. Ook het tuinieren en de kenmerkende landschaparchitectuur worden tot een typisch Engelse aangelegenheid gerekend. In heel Engeland vindt je de mooiste aangelegde en onderhouden tuinen. Verder worden eeuwenoude dorpen afgewisseld met moderne gebouwen in de steden. Het kent ook een uitgebreid aanbod aan bossen, heuvels, stranden, eilanden en nationale parken waaronder bijvoorbeeld het Lake District, Yorkshire Dales en Northumberland.
De Engelse literatuur was in het begin hoofdzakelijk (zoals in zoveel landen) een kerkelijke aangelegenheid. Verder werd er natuurlijk aan de verschillende hoven ook gedicht en geschreven. Na de introductie van de drukpers in 1476 n. Chr. heeft de literatuur een grote vlucht genomen waarbij vooral gedichten en drama de pijlers waren. Hierbij was William Shakespeare de grote, nog steeds wereldberoemde, naam. Vanaf begin 18e eeuw was er de opkomst van de roman met Daniel Defoe (Robinson Crusoe) als een van de eerste grote vertegenwoordigers. De volgende 2 eeuwen leverde een grote hoeveelheid aan literatuur op. Met in het begin van de 19e eeuw de Romantische periode en wat later de Victoriaanse periode met de realistische roman als vertegenwoordiger met schrijvers als Jane Austen, The Brontë sisters, Charles Dickens en Thomas Hardy. Andere bekende schrijvers zijn Arthur Conan Doyle, D. H. Lawrence, George Orwell, Salman Rushdie, J. R. R. Tolkien, Virginia Woolf, Ian Fleming en J. K. Rowling. Als voorbeeld van toonaangevende Engelse dichters zijn Elizabeth Barrett Browning, T. S. Eliot, Philip Larkin, John Milton, Rudyard Kipling, en Dylan Thomas te noemen.
Behalve de literatuur kent ook het theater een lange traditie. Vanuit de middeleeuwen heeft het theater zich ontwikkeld van de verhalenvertellers van fabels en andere verhalen naar het moraliteits- en mistery theater tot het hedendaagse theater. Ook binnen het theater genre is William Shakespear een van de eerste en zeker niet de minste vertegenwoordiger met ruim 40 stukken op zijn naam waaronder wereldberoemde stukken als Hamlet, Othello en King Lear. Een ander hoogtepunt was de late 19e eeuw met schrijvers als George Bernard Shaw and Oscar Wilde. Tegenwoordig is Londen het middelpunt het tientallen theaters in West End. Hier worden nog steeds de stukken van Shakespear opgevoerd maar is ook het musical genre erg populair.

De muziek heeft in Engeland, net als andere landen een grote verandering ondergaan vanaf The Beatlesde 2e helft van de 20e eeuw toen de rock en pop zijn intrede deed. In het begin was het vooral de kerkelijke muziek die de dienst uitmaakte aangevuld door minstrelen aan de hoven en straatmuzikanten. Ook de opera muziek kon in Engeland op veel enthousiasme rekenen hoewel de schrijvers meestal van buitenlandse afkomst waren. Vanaf 1962 kwam er een nieuwe trend uit Liverpool en werden The Beatles de meest populaire muzikanten van hun tijd met het componistenduo John Lennon en Paul McCartney. Voor de Beatles waren er maar weinig populaire zangers die hun eigen muziek vertolkte. De "Fab Four" openden de deuren voor andere Engelse bands zoals The Rolling Stones, The Hollies, The Kinks, Judas Priest, Deep Purple, Status Quo, Iron Maiden, The Who, Queen, Led Zeppelin, Black Sabbath, Pink Floyd, Oasis en Coldplay.

In Engeland maakt ook sport een belangrijk onderdeel van de cultuur uit. Vooral voetbal, cricket en rugby zijn populair. Maar er wordt ook veel gegolfd en paardgereden. Niet alleen sporten de Engelsen zelf veel, maar ze zijn er ook dol op om naar sport te kijken.
Over het algemeen zijn de inwoners bijzonder trots op hun historie van theater, literatuur, architectuur, stad of club en zijn graag bereid hier iets over te vertellen.

Klimaat:

Naar boven

In het algemeen is het in het westen natter dan in het oosten en in het noorden koeler dan in het zuiden. De winters zijn zacht en de zomers zijn vergelijkbaar met Nederland. Op veel plaatsen regent het op meer dan 200 dagen per jaar. Gemiddeld valt in Groot-Brittannië 700 millimeter regen, minder dan in De Bilt. Door stuwing van de vochtige oceaanlucht tegen de heuvels en bergen, zijn de neerslaghoeveelheden het grootst langs de westkust en in het bergachtige noorden en gaat dit vaak samen met krachtige winden. In het Lake District valt gemiddeld 2000 millimeter per jaar. In de bergen is het vaak bewolkt en schijnt de zon jaarlijks 1000 uur. Aan de kust schijnt de zon rond de 1750 uur per jaar. Vooral Cornwall is zonnig.
Juli is de warmste maand van het jaar. Zuidoost Engeland heeft overwegend droge voorjaarsmaanden. Het zuiden en de omgeving van Londen zijn de warmste regio's, waar het gemiddeld ruim 21,5 graden is in juli. Elders is de invloed van de zee of de hoogte bepalend en is het enkele graden koeler. In het binnenland wordt het zelden warmer dan 30 graden omdat constant de invloed van zee en oceaan merkbaar is. Op mooie zomerdagen steekt meestal afhankelijk van de omstandigheden een zeewind op. Hierdoor kan lokaal aan de kust afkoeling ontstaan. De beste zomers komen voor aan de zuid- en zuidwest kust, waar de zon uitbundig schijnt. In het zuidwesten vind je een gebied, met palmbomen en zandstranden. Dit deel van Devon wordt ook wel 'The English Rivièra' genoemd.
In januari is het 's nachts in grote delen van het land gemiddeld 1 tot 2 graden boven nul en in het zuidwesten 4 graden. Overdag is het ongeveer 5 tot 9 graden. De aanwezigheid van de zee zorgt ervoor dat aan de kust de laagste wintertemperaturen doorgaans aan het eind van februari worden gemeten. In het binnenland worden de laagste temperaturen al in januari bereikt. Aan de kust zijn de minima minder extreem met in Plymouth ooit eens een -8,8 graden. Hoge wintertemperaturen komen hier vaker voor. De warme zuidwestelijke wind kan dan in januari achter de heuvels een föhneffect veroorzaken en de temperatuur opstuwen tot 16 graden. Terwijl in Engeland de neerslag in alle jaargetijden valt, is aan zuidkust een wintermaximum in de neerslaghoeveelheden terug te vinden. In Penance (Devon) valt in januari 132 millimeter. In het binnenland is dit beduidend minder. Sneeuw komt vooral voor in de heuvels en bergen. In het noorden sneeuwt het op 50 dagen, aan de zuidwestkust op 10 dagen. Zelden blijft de sneeuw liggen in de lagere delen van het land.

Natuur:

Naar boven

De Engelse natuur toont veel diversiteit. In het noorden treft u een woeste omgeving met vooral veel rotsen en kliffen. Het zuiden is het tegenovergestelde van het noorden. Hier zult u een rustige omgeving zien met heuvels, heide en bossen. Er tussenin ligt het altijd groene Wales. Aan de zuidkust zijn de witte kliffen opvallend. We onderscheiden twee landschappen: de Highlands of Uplands en de Lowlands. De Highlands worden gekenmerkt door overblijfselen van zeer oude gebergten met steile kusten en inhammen. De Lowlands bestaan uit vlakke gedeelten, maar worden doorsneden door heuvelruggen en dalen. Er zijn in Engeland op dit moment meer dan zeventig natuurreservaten die niet altijd voor het publiek toegankelijk zijn.

Dankzij het milde, vochtige klimaat kan Groot-Brittannië zich verheugen in een rijk plantenleven. Van de oorspronkelijke vegetatie, dichte eikenwouden, is niet veel meer over. Het hout werd gekapt ten behoeve van veeteelt, land- en woningbouw. Slechts negenPaardje in Exmoor procent van het land is bebost, het minst van heel Europa. En wat er aan bos is, is vaak voor commerciële doeleinden. Laag struikgewas, heesters en bloeiende planten zijn er echter volop. In het voorjaar zijn de bloemen op heuvels en in valleien een lust voor het oog. Op de drassige veengronden van Wales en Schotland groeien verschillende heide- en mossoorten.
Tot de weinige grote zoogdieren die nog voorkomen, behoort het edelhert dat in de Schotse Hooglanden en in Exmoor in Zuidwest-Engeland leeft. Halfwilde pony's zwerven rond in Exmoor en op de Shetland-eilanden. Wolven zijn door de jacht uitgeroeid, wilde zwijnen ontsnapten ternauwernood aan dit lot. Er zijn nogal wat kleinere diersoorten te vinden zoals: vossen, otters, dassen, eekhoorns en wilde katten. Verder zijn er allerlei soorten kikkers, padden en enkele slangensoorten waaronder de - zeldzame - giftige adder. Veel van deze dieren worden in hun bestaan bedreigd door de snelle urbanisatie van het land.
Groot-Brittannië is een interessante bestemming voor vogelaars, want het land ligt op de route van vele migrantensoorten. Andere soorten zijn er het hele jaar te zien, zoals: ijsvogels, vinken, lijsters, roodborstjes, spechten. Op de eilanden en steile kliffen van het hoofdeiland nestelen zeevogels, waaronder: veel eenden- en ganzensoorten, papegaaiduikers, alken, sternen en jan-van-genten.

Naar boven

Wil je op de hoogte worden gebracht wanneer ik een nieuw reisverslag publiceer klik dan hier.