Geografie:
De, in Oost-Azië liggende, Volksrepubliek China, (officieel: Zhonghua Renmin Gongheguo uitgesproken als: Chung-Hua
Jen-Min Kung-Ho Kuo, of kortweg: Zhongguo;) met als hoofdstad Bejijng wordt door de meer dan 1.26 miljard Chinezen zelf
het 'Rijk van het Midden' genoemd. China heeft al
een geschreven geschiedenis van meer dan 4000 jaar en is de oudste beschaving en de oudste staat ter wereld. China is het
op twee na (Rusland en Canada) grootste land ter wereld met een totale oppervlakte van 9.598.077 km2 en is daarmee ongeveer
225 keer groter dan Nederland. De langste rechte afstand is ruim 5000 kilometer en de totale lengte van alle grenzen van China
bedraagt meer dan 22.000 kilometer. Topografisch gezien ligt China ingeklemd tussen Rusland (3645 km - grens), Mongolië (4677 km)
en Noord-Korea (1416 km) in het noorden en Pakistan (523 km), India (3380 km), Nepal (1236 km), Myanmar (2185 km), Laos (423 km)
en Vietnam (1281 km) in het zuiden. Verder grenst het aan de Oost-Chinese Zee, de Baai van Korea, de Gele Zee en de Zuid Chinese Zee.
Voor de kust van China liggen meer dan drieduizend eilanden, waarvan Hainan, gelegen in de Zuid-Chinese Zee, het
grootst is. Het is mogelijk om ter oriëntatie een paar globale indelingen te maken van het land:
- de uitgestrekte laagvlakte van het noordoostelijke deel.
- het heuvelachtige en waterrijke zuidoostelijke deel.
- het lössplateau van Centraal China.
- het hoogland van Tibet en Qinghai.
- de woestijn- en steppe gebieden van Xinjiang en Binnen-Mongolië.
China bestaat voor 35% uit bergen, voor 27% uit hoogland, voor 17% uit bekkens of woestijn, voor 8% uit
heuvelachtig gebied, en voor 13% uit vlaktes. De Mount Everest in Tibet is met een hoogte van 8848
meter de hoogste berg ter wereld, de Turpan Depression in het noordwesten is met 154 meter onder zeeniveau,
China’s laagste punt. Meer dan honderd bergtoppen in China zijn hoger dan 7000 meter en meer dan duizend
hoger dan 6000 meter. In totaal telt China ca. 5000 rivieren. De meeste grote rivieren van
China en Zuidoost-Azië ontspringen in de Hoogvlakte van Qinghai-Tibet en stromen dan bijna allemaal in oostelijke
richting om dan uit te monden in de Stille Oceaan of de Indische Oceaan. De twee grootste rivieren zijn de
Huang He of Gele Rivier (4845 km) en de Yangzi Jiang (5200 km). De totale lengte van alle rivieren samen
bedraagt ca. 225.000 kilometer, waarvan meer dan 100.000 kilometer goed bevaarbaar is. In totaal telt China
ca. 2800 meren, waarvan de helft gevuld is met zout water. Tot de grootste meren van China behoren het Poyangmeer
(2800 km2) en het Dongtingmeer (4800 km2). Deze meren liggen in de Yangzi-vlakte en het Qinghai-Tibet-Plateau.
Tot China behoren tegenwoordig ook Hong Kong, Macao en Tibet.
Hongkong is een Speciale Administratieve Regio (SAR) en bestaat uit Hongkong-eiland, het schiereiland Kowloon,
de New Territories en meer dan 200 voor de kust liggende eilanden, samen ca. 1045 km2. In totaal wonen er in
Hongkong ca. 6 miljoen mensen. Op 16 juni 1843 werd Hongkong officieel een Engelse kroonkolonie en op 1 juli 1898
kregen de Britten Hongkong voor 99 jaar in bruikleen. Op 19 december 1984 ondertekenden de Engelse en Chinese regering
de zogenaamde ‘Joint Declaration’. Hierin werd opgenomen dat vanaf 1 juli 1997 China weer het gezag over Hongkong zou
gaan uitoefenen, in die zin dat Hongkong als Speciale Administratieve Regio zelfbestuur houdt. Verder garandeerde
de Chinese regering voor 50 jaar de economische, sociale en wettelijke autonomie voor geheel Hongkong.
Op 1 juli 1997 vond in de haven van Hongkong de ceremoniële overdracht plaats van Hongkong aan de Chinese
Volksrepubliek.
Macao is een klein, vier kilometer lang schiereiland, dat ligt aan de westkant van de Parelrivier en is
verbonden met het Chinese vasteland. Macao bestaat verder uit de twee eilanden Taipa en Coloane. Macao heeft ca.
500.000 inwoners, waaronder nog steeds ca. 15.000 Portugezen. Macao werd in 1513 ontdekt door de Portugese
ontdekkingsreiziger Jorge Alvarez en in 1557 werd de Portugese kolonie Macao gesticht. Sinds 17 februari 1976
had Macao zelfbestuur onder Portugese soevereiniteit. Sinds 20 december 1999 behoort Macao officieel na 443 jaar
tot de Volksrepubliek China. Tot 2049 behoudt Macao een aparte status met een verregaande politieke autonomie.
Het zeer bergachtige Tibet (Chinees: Xizang), ligt in West-China, heeft een oppervlakte van 1.221.600 km2 en is
daarmee ca. 32x groter dan Nederland. Tibet grenst aan India, Nepal, Sikkim, Bhutan en Myanmar (Birma). In Tibet
leven ongeveer 2,4 miljoen mensen, onder wie ongeveer 1,7 miljoen Tibetanen. Het totale aantal Tibetanen wordt op
6 miljoen geschat, en de meeste daarvan wonen in de provincies Qinghai, Sichuan en Yunnan. Veel ballingen wonen in
de buurlanden India en Nepal. In 1280, onder de Mongoolse Kublai Khan, werd Tibet een eenheid met China. In de 17e eeuw
maakte het verenigde Tibet zich weer onafhankelijk, maar in 1720 werd Tibet weer onderworpen aan de Chinese keizers.
In 1904 vielen de Engelsen Tibet binnen en in 1913/14 werd tijdens een conferentie in China bepaald dat Tibet een
autonome staat zou worden onder Chinese soevereiniteit. Op 10 maart 1959 vluchtte de geestelijk en politiek leider
van Tibet, de Dalai Lama. Vanuit Dharamsala in Noordwest-India vormde hij een regering in ballingschap en behartigt
van daaruit, reizend over de hele wereld, de Tibetaanse zaak. In 1965 werd Tibet officieel een autonoom gebied binnen
de Volksrepubliek China. Eind 1987 ontstond er een grote opstand die echter met harde hand door het Chinese leger werd
neergeslagen. De onderdrukking van de Tibetanen gaat op dit moment nog steeds door en een oplossing lijkt nog niet in
het verschiet te liggen. De toekenning in 1989 van de Nobelprijs voor de vrede aan de Dalai Lama, was een enorme opsteker
voor het Tibetaanse volk.
Historie: |
 |
Van China is bekend dat een gedeelte van het land al heel lang bewoond wordt. De oudste vondsten dateren van ruim 500.000 jaar
en zijn van Grotbewoners waaronder onder meer de Pekingmens. Ze leefden van de jacht en wilde planten, maakten werktuigen van
steen en konden waarschijnlijk al vuur maken. Zo’n 25.000 jaar geleden begon het stenen tijdperk en ontwikkelde de mensen zich
naar een hoger niveau. Ze maakten stenen werktuigen, sieraden van gepolijste schelpen en begroeven hun doden in een soort
religieuze ceremonie, waarbij ze rood stof over de lichamen uitstrooiden. Tot deze tijd bestonden de volkeren uit nomaden die
rond trokken of enige tijd ergens tijdelijk verbleven maar na verloop van tijd verder trokken. Hierbij was er nog geen spraken
van vaste bebouwing, dit veranderde echter vanaf Ca. 6000 v. Chr. want toen ontstonden de eerste boerendorpen. Dit gebeurde
vooral in de vruchtbare dalen zoals die van de Huang He (de Gele Rivier) waar mensen gewassen gingen verbouwen en in dorpen
gingen wonen. Ze gebruikten daarbij werktuigen van steen, been en hout. Rond 5000 v. Chr. wisten ze hoe ze aardewerk moesten
maken en in ongeveer 2000 v. Chr. werd koper gewonnen
en verwerkt. Intussen begonnen sommige families op te komen als leiders. Geleidelijk aan werden deze families machtiger
dan de rest en begonnen ze te heersen over steeds grotere gebieden. Volgens de overlevering was rond 2100 v. Chr. één
familie machtig genoeg om over het grootste deel van het land te heersen. De naam van deze familie was Xia, en aangenomen
wordt dat de Xia-dynastie 600 jaar voortduurde. Niemand weet of de Xia echt bestaan hebben of niet. De eerste dynastie
waarvan het bestaan zeker is de Shang-dynastie die van Ca. 1500 tot 1122 v. Chr. leefde in Noord-China. Zij bouwden de
eerste steden in China. De Shang-Chinezen maakten brons, een legering van koper en tin. Met deze nieuwe techniek maakten
ze bewerkte potten voor de koningen, die ze gebruikten als symbool van rijkdom en om offers te brengen. In hun gieterijen
maakten de smeden ook bronzen wapens, zoals speren en hellebaarden, een soort strijdbijl. Een Shang-koning kreeg zijn
rijkdommen en strijdwagens mee in zijn graf. Rondom zijn graf lagen lichamen van dieren, gevangenen en dienaren. Er is
heel wat informatie verkregen over het antieke China door inscripties op orakelbeenderen. Deze beenderen (of schilpad
borstpantser) werden gebruikt door waarzeggers, om antwoorden te geven op vragen die de koning stelde. De waarzegger
boorde kleine gaatjes in het oppervlak van het been en stak vervolgens in alle gaatjes na elkaar een verhit twijgje.
De hitte maakte scheurtjes en barsten die de waarzegger bestudeerde om het antwoord te vinden. De waarzeggers kerfden
vervolgens zowel de vraag als het antwoord in het been. De tijd die volgde kende verschillende dynastieën die elkaar
in rap tempo opvolgde. In het begin (Zhou-dynastie) was de koning het hoogste gezag en gaf deze de adel land in ruil
voor trouw en diensten. De edelen waren heer en meester over hun eigen domein en onderdanen, van wie de meeste
keuterboeren waren. De kooplui stonden helemaal onderaan. Na verloop van tijd konden de Zhou-koningen niet meer
rekenen op de trouw van de adel en viel het koninkrijk uit een in vele kleine koninkrijkjes. In de 500 tot 600 jaar
daarna voerden de staten steeds onderling oorlog. Vanaf 475 v. Chr nam het aantal staten af toen de kleine staten één
voor één werden verslagen en overgenomen werden waardoor zich grotere staten ontwikkelden. Na ongeveer 200 jaar van
oorlog voeren waren er nog maar zeven staten over. In 221 v. Chr. werd de de vorst Qin Shi Huangdi de Eerste keizer
van heel China. De Qin-dynastie heeft maar kort geduurd en werd gekenmerkt door een meedogenloos regime maar heeft
een niet te overschatten invloed gehad op de latere geschiedenis van China. Qin Shi Huangdi wilde overal hetzelfde
bestuur instellen als in zijn eigen staat, Qin, dat nu het machtigste koninkrijk van China was. De naam China is
afgeleid van Qin. De keizer beval zijn onderdanen dezelfde taal te spreken. Er kwam één stelsel van maten en gewichten
en één munt. Er kwam zelfs een standaardbreedte voor de karren op de wegen die de keizer liet aanleggen om de
verbindingen te verbeteren. Overal in China kregen adellijke families tot taak de wet en de orde in hun streek te
handhaven en te zorgen dat de bevelen van de keizer werden opgevolgd. Gewone
burgers moesten dienen in het leger en
meewerken aan de nieuwe wegen, kanalen en versterkingen. Het grootste project van de keizer was de Chinese Muur.
Een ander bouwproject was het graf van de keizer wat we tegenwoordig kennen van het terracottaleger. Deze eerste
keizer stierf toen hij 50 was. Zijn familie bleef niet lang aan de macht. Liu Bang, een man van eenvoudige komaf,
greep de macht en riep zich tot keizer Han Gaozu. Han betekent overigens mens. De meerderheid van de Chinese bevolking
is hier later naar genoemd (Han-Chinezen). Er begon een gouden tijdperk, met het confucianisme als officiële godsdienst.
We zitten intussen rond het begin van onze jaartelling als door de slechte oogsten en ernstige ziektes er vele doden
vielen en vele boeren struikrovers werden. Ze leefden in de heuvels en sloten zich aan bij geheime genootschappen.
Deze gemeenschappen zetten de rest van de boeren aan tot een opstand en in 9 n. Chr. nam de hervormer Wang Mang, de
macht over. Hij begon een strijd tegen het grootgrondbezit en verdeelde het land onder de boeren. Er volgde een perioden
waarin periodes van stabiliteit en perioden van economische en sociale crisis elkaar afwisselde. Door de constante
oorlogvoering konden de half-nomadische volkeren langs de westelijke en noordelijke grenzen, waarvan de militaire leiders
uit waren op politieke macht, het keizerrijk binnendringen. De periode tussen 304 en 581, was een tijd van grote
politieke verwarring. Tijdens deze periode er in het noorden, zuiden en oosten verschillende dynastieën actief. Pas
in 581 na Chr. herenigde Yang Jian het keizerrijk en stichtte de Sui-dynastie. Behalve belasting te innen van de
mensen, dwong de heerser van de Sui-dynastie ook duizenden boeren hun boerderijen in de steek te laten en aan zijn
bouwprojecten te werken, vaak onder zeer slechte omstandigheden. Ook verscherpte hij de dienstplicht om Korea te gaan
veroveren. In 617 kwam het volk in opstand. Hierna zou tot 907 na Chr. de Tang-dynastie over China heersen. Tijdens de
gouden eeuw van de Tang-dynastie maakten de handel en de kunst een bloeiperiode door. Meer dan 70 miljoen mensen
leefden in het keizerrijk, de grootste staat uit die periode. De hoofdstad Xian trok geleerden en handelaren aan uit
verre landen. De stad had districten voor verschillende klassen, muren met gaten die 's nachts gesloten werden en
huizen met prachtige tuinen. Mensen, voornamelijk landeigenaren, gingen steeds meer in steden wonen, waar amusement,
theewinkels en restaurants te vinden waren. Het Chinese porselein verwierf de reputatie die het nog steeds heeft.
Het buskruit werd uitgevonden, er werden houtsneden gemaakt en drukpersen gefabriceerd. Toen de laatste Tang-keizer,
Li Tzu aftrad in 907, volgde de Periode van de Vijf dynastieën in het noorden en Tien Koninkrijken in het zuiden
(korte militaire dictaturen). In 960 wordt China weer herenigd door de Song generaal Zhao Kuang-yin. Deze periode was
rijk aan poëzie, schilderkunst en kalligrafie. Geleerden, kunstenaars en wetenschappers werden aangemoedigd en
middenstandskooplui en vaklieden werden geschoold. Voor het eerst werd papiergeld gebruikt en werd thee populair.
Er waren vele technische vooruitgangen; China onderging een kleine industriële revolutie. IJzererts werd gewonnen
en gesmolten om gebruiksvoorwerpen te maken. Er werden kompassen uitgevonden en er werd zout gewonnen In 1126 kwamen
er problemen toen een noordelijke stam, de Jin-nomaden, China aanviel. De Jin liepen ongeveer een derde van het land
onder de voet, waaronder de hoofdstad Kaifeng. De keizer en een groot deel van zijn familie werden gevangen genomen.
Er werd nooit meer iets van hen vernomen, maar één zoon ontsnapte. Die zoon stichtte een nieuwe hoofdstad in Hangzhou
en werd eerste keizer van de zuidelijke Song. Maar in minder dan 100 jaar werden de gebieden die bestuurd werden door
de Jin en de Zuidelijke Song bedreigd door andere invallers vanuit het noorden, de Mongolen. In de 13e eeuw n. Chr.
streden Mongoolse ruiters in Centraal-Azie onder leiding van Tjinggis (Genghis) Khan. Zijn kleinzoon Kubilai Khan
veroverde Noord-China en vestigde de Yuan-dynastie, met als hoofdstad Khanbaliq (nu Beijing). China maakte bijna
honderd jaar deel uit van het enorme Mongoolse rijk. De zijderoute, die in het rijk lag, werd opnieuw geopend en
de Yuan-vorsten stelden buitenlanders aan als ambtenaren. Een van hen was Marco Polo, die voor Kubilai Khan werkte.
Het nieuwe bewind bracht ook wel een paar voordelen, zoals betere wegen en een efficiënte postdienst met ruiters.
Maar aan de Chinese boerderijen en steden besteedden de Mongolen geen aandacht. In 1367 brak een opstand uit onder
leiding van de bandiet Zhu Yuan-Zhuang, een gewezen monnik. De laatste Mongoolse vorst vluchtte en de bandiet riep
zichzelf uit tot keizer Ming Hong Wu, dit was het begin van de Ming-dynastie. Met de Ming-dynastie brak een periode
van 276 jaar vrede aan. Vroege keizers verlaagden de belastingen, zorgen voor een verbetering van de irrigatie en
landbouw en stimuleerden literatuur en kunst. Er werden grote bouwprojecten uitgevoerd waaronder de Verboden stad.
Schepen met schatten zeilden naar het zuiden (India, Arabië, Indonesië en Afrika) en voor het eerst kwamen Europeanen
per schip naar China (Portugezen in 1514, Hollanders in 1622, Britten in 1637). Vanaf de 16e eeuw was China een rijke
maatschappij. Ze behield echter haar tradities, terwijl Europa de dynamische veranderingen van de Renaissance en de
Hervorming doormaakte. Later werden zwakke keizers en corrupte rechtsofficieren uitgeschakeld door Chinese
opstandelingen.In het begin van de 17e eeuw staken de
Mantsjoes de Chinese Muur over en rukte op naar de verboden
stad en vestigden er in 1644 n. Chr. de Qing-dynastie. Mantsjoerijse keizers behielden de stijl van geraffineerdheid
van het hof en hielden vast aan de tradities van de Ming-dynastie. China beschouwde zijn eigen cultuur verheven en
hield de grenzen gesloten voor buitenlanders. Ondertussen ondergingen de Europese landen de eeuw van ontdekkingen en
stonden wetenschap en technologie in hoog aanzien. In de 17e en 18e eeuw kwamen Europeanen naar China op zoek naar
handel en heerschappij. Er waren enorme verschillen in de denkwijze van de Chinezen en de Europeanen; Chinezen achtten
de traditie van groot belang, terwijl Europeanen de vooruitgang belangrijk vonden. Dijken die de Huang He boven het
grondniveau brachten, werden niet gehandhaafd en de grote rivier brak los. Na de overstromingen volgde er hongersnood
en stierven duizenden boeren. Een enorme boosheid sloeg om in geweld en vanaf 1850 volgden er diverse opstanden tot
aan de revolutie van 1911, die de Qing -dynastie ten val bracht en een eind maakte aan tweeduizend jaar keizerlijke
regering. In 1839 begonnen de Engelsen een opiumoorlog (tot 1842) tegen China omdat dat land weigerde opium in te
voeren uit de Engelse kolonies. Tussen 1851-1864 had je de boeren-opstand bekend als de Taiping-opstand. In 1900 volgde
de bokseropstand tegen vreemdelingen. De laatste keizer Puyi kwam op de troon toen hij drie jaar oud was. Hij werd in
1912 gedwongen om afstand te doen van de troon en China werd een republiek. Al snel blijkt de nieuwe republiek uit
twee partijen te bestaan. De nationalistische partij van Chiang Kai Shek die uit landheren en militairen bestaat en
de communistische partij van Mao Zedong met vooral boeren en arbeiders. Na bloedige vervolgingen en slachtpartijen
door de nationalisten, vluchten massa's boeren, arbeiders en hun gezinnen over duizenden kilometers uit Zuid-China
naar het bergachtige noorden. Deze barre tocht staat bekend als 'de Lange Mars'. Maar als de Japanners na de Tweede
Wereldoorlog verslagen zijn, begint de strijd tussen beide partijen opnieuw. In 1945 komt een einde aan de burgeroorlog
en vluchten Chiang en zijn aanhangers naar het eiland Taiwan, waar hij het nationalistische China sticht. In 1949 wordt
China een communistische staat en op 1 oktober 1949 roept Mao Zedong de Volksrepubliek China uit. Mao en zijn aanhangers
geloven dat de mensen opgevoed kunnen worden tot communistisch denken. Om dit te bereiken moet de partij controle
uitoefenen over werk, huisvesting, onderwijs en ontspanning. Mao zorgt ervoor dat het verschil tussen arm en rijk
verdwijnt en ieder genoeg eten en drinken heeft. Mannen en vrouwen worden gelijk behandeld en krijgen les in lezen
en schrijven. De boeren die eeuwenlang een groot deel van hun pacht moesten afstaan aan rijke landheren krijgen een
stukje privé-grond. Ze worden aangespoord samen te werken, waarbij de grond, de dieren en gereedschappen
gemeenschappelijk bezit worden. In 1958 start de 'Grote Sprong Voorwaarts', een campagne voor snelle economische groei.
Er ontstaan grote collectieve boerderijen van 5000 of meer families, de communes. Deze communes zijn mini-staten met
gratis voedsel, onderdak, garantie van werk en verzorging van de wieg tot het graf. Het feit dat de regering ervoor
zorgt dat iedereen een baan, huis en eten heeft wordt wel 'de ijzeren rijstkom' genoemd. Elk dorp krijgt kleine hoogovens
om ijzer te produceren. De 'Grote Sprong Voorwaarts' wordt een mislukkeling. Het ijzer blijkt van slechte kwaliteit en er
wordt niet genoeg voedsel gemaakt. In 1960 en 1961 sterven er meer dan 20 miljoen mensen van de honger. De slachtoffers
zijn voornamelijk boeren. De omvang van de ramp blijft lang verborgen voor het buitenland en voor de bewoners van de
steden. In 1959 valt het Chinese leger Tibet binnen om de opstand met harde hand te onderdrukken en vlucht de
(geestelijk) leider van Tibet, de Dalai Lama, naar India. Tijdens de 'Culturele Revolutie' (1966-1976), wordt de jeugd
onder leiding van de 'Bende van Vier' opgeroepen om de bevolking wakker te schudden en zo te voorkomen dat het communisme
zal vastroesten. De 'Bende van Vier' was een groep radicale communisten waaronder ook Mao's vrouw Jiang Qing. De
Culturele Revolutie richt zich tegen de strakke partijorganisatie, tegen de bureaucratie en tegen alle Westerse
(ook Russische) invloeden. De jongeren, meest scholieren en studenten, zijn te herkennen aan de rode armbanden. Ze
noemen zich Rode Gardisten. Met duizenden trekken ze van stad tot stad. Ze bestormen universiteiten, verbranden boeken
en vernietigen oude bouwwerken en kloosters. De Rode Gardisten hebben hun eigen 'bijbel': het rode boekje, een
bloemlezing uit de geschriften van Mao. Iedereen moet het rode boekje bestuderen en zoveel mogelijk van buiten leren.
Zelf hebben ze geen tijd voor school. 'Hoe langer je studeert, des te dommer word je', is hun motto. Professoren en
leraren zijn niet meer nodig. Ze moeten naar het platteland, om 'van de boeren te leren'. Als de chaos te groot wordt,
laat Mao het leger ingrijpen. In 1976 sterft Mao en wordt opgevolgdt door Hua Guofeng. De 'Bende van Vier' wordt
gearresteerd. In 1981 treed Hua af en wordt opgevolgd door Deng Xiaoping. Deze herstelt de orde en wordt de belangrijkste
man. Deng gelooft, dat als je de mensen meer vrijheid geeft en beloont voor hun werk, ze het communisme zullen steunen
het zogenaamde Vier Moderniseringen Plan. Daarom heft hij de communes op en geeft hij de boerengezinnen weer een stukje
privé-grond. Een deel van de oogst moeten de boeren afstaan aan de staat, wat ze meer produceren mogen ze zelf houden.
Bedrijven mogen een gedeelte van de winst houden en de arbeiders krijgen een hoger loon wanneer ze harder werken. En
omdat de staat niet aan iedereen een baan kan geven, besluit Deng Xiaoping dat de Chinezen kleine bedrijfjes mogen
starten, zoals een thuisrestaurant. Het driemanschap bestaande uit Hu, Deng en premier Zhao Ziyang (1919-2005) hadden
de touwtjes in handen. De jaren hierna werden gekenmerkt door een sterke groei van de economie en een zekere toename
van de persoonlijke vrijheid voor de bevolking, die zich met name uitte in de populariteit van allerlei westerse
modeverschijnselen. Het denken van Mao was op zijn retour en de 'Bende van Vier' werd berecht. Jiang Qing en Zhang
Chunqiao werden ter dood veroordeeld. Deze straf werd echter nooit voltrokken. In 1991 pleegde Jiang Qing zelfmoord.
China zoekt steeds verder toenadering tot het ‘westen’ dit resulteert in betere betrekkingen met oa de Verenigde Staten.
In 1979 knopen beide landen officieel diplomatieke betrekkingen aan en erkent de V.S de Volksrepubliek China. Dit zou
ten koste gaan van Taiwan waarmee de Amerikaanse regering de diplomatieke betrekkingen en het defensieverdrag van 1954
opzeggen. Kort na het bezoek van Deng aan de VS vond er op 17 februari 1979 een invasie plaats van Chinese troepen in
Vietnam. Dit was bedoeld als straf voor de vermeende Vietnamese arrogantie en Vietnam's verdrijving van het Cambodjaanse
Rode Khmer regime, dat altijd een bondgenoot van Beijing was geweest. Hoewel de Chinezen (met veel moeite) een groot
deel van Noord-Vietnam veroverden, sloten zij reeds op 5 maart vrede en trokken zich geheel terug uit deze veroverde
gebieden. China had duidelijk gemaakt dat zij niet met zich liet sollen. Bij een aantal gelegenheden liepen politieke
demonstraties uit de hand. Hierbij bleek hoe zeer regering en de partij intern verdeeld waren over de aanpak van wat
gezien werd als aantasting van de suprematie van de communistische partij. Zo werd in 1987 Hu Yaobang van zijn functie
als secretaris-generaal van de Chinese Communistische Partij ontheven vanwege een 'te slap optreden' tegen voorvechters
van meer democratie in China. De herdenkingsbijeenkomst na zijn dood in april 1989
liep uit op een demonstratie op het
Tian-An-Men plein plein van Hemelse Vrede) in het centrum van Beijing, die zich gedurende de hele maand mei voortzette
en geheel uit de hand liep. Wat begon als een aanhankelijkheidsbetuiging aan de overleden hervormingsgezinde Hu, groeide
uit tot een pro-democratische demonstratie zonder weerga. De demonstratie, die werd geleid door studenten van wie een
aantal in hongerstaking ging, kreeg grote aandacht in de wereldpers. Binnen de regering kon men het niet eens worden
over de aanpak van deze openlijk tegen de regering en partij gerichte provocatie. Toen de demonstrerende studenten het
bezoek van de Sovjet president Gorbachov aan Beijing in het honderd deden lopen, leed de regering voor de ogen van de
gehele wereld een groot en voor henzelf niet te accepteren gezichtsverlies. De voorzitter van het Centrale Comité van
de CCP (Secretaris-Generaal) Zhao Ziyang, voorstander van een gematigde aanpak, werd na mislukte onderhandelingen met
de demonstranten aan de kant geschoven en onder huisarrest gezet (tot zijn overlijden in een Beijings ziekenhuis in
januari 2005). De harde lijn, aangevoerd door Deng en premier Li Peng, won de overhand en het plein en omgeving werden
op 4 juni 1989 op bloedige wijze schoongeveegd. Hoeveel doden hierbij gevallen zijn, is niet met zekerheid vast te
stellen. De schattingen lopen uiteen van enkele honderden tot duizenden. De ontnuchtering en verbijstering na het
Tian-An-Men bloedbad was groot. Het tijdperk van Deng, zo hoopvol begonnen, beleefde een somber gestemd einde. In
1990 legde Deng Xiaoping zijn laatste officiële functie neer maar bleef achter de schermen tot zijn dood in 1997
grote invloed uitoefenen op de gang van zaken. Na het neerslaan van de studentenopstand in 1989 werd Jiang Zemin (1926),
één van de voorstanders van de harde lijn, gekozen als Secretaris-Generaal van het Centrale Comité en staatshoofd van
de Volksrepubliek. Als zodanig werd hij de feitelijke opvolger van Deng en de machtigste man in China. Li Peng werd
als premier opgevolgd door Zhu Rongji (1928). Li zelf werd voorzitter van het Nationale Volkscongres. In 2003 vond
een belangrijke machtswisseling plaats: De toen 60-jarige Hu Jintao werd benoemd als opvolger van Jiang Zemin als
secretaris-generaal van de CCP en door het Volkscongres als president van China verkozen. Zhu Rongji werd opgevolgd
door de eveneens 60-jarige Wen Jiabao. Li Peng trad af als voorzitter ten gunste van de toen 62-jarige Wu Bangguo.
Jiang Zemin werd herkozen als voorzitter van het Centrale Militaire Comité en bleef daarmee een belangrijke machtspositie
bezetten. Een protégé van Jiang, Zeng Qinghong werd gekozen als vice-premier. In september 2004 droeg Jiang Zemin zijn
voorzitterschap van het Centrale Militaire Comité over aan Hu Jintao. Hiermee werd de positie van Hu als machtigste man
in China voorlopig gevestigd. In 1997 keerden Hong Kong, Kowloon en de New Territories terug onder de soevereiniteit van
China, gevolgd in december 1999 door Macao. Hiermee werden de laatste fysieke overblijfselen van het voor China zo
vernederende koloniale tijdperk voorgoed opgeruimd. (Zie de geschiedenis van de Qing-dynastie) De jaren negentig stonden
ook in het teken van oplopende spanningen met Taiwan. De regering in Beijing beschuldigde sinds het aantreden van
president Lee Teng-hui de politieke leiders op het eiland ervan aan te sturen op onafhankelijkheid. De Straat van Taiwan
was enkele malen getuige van hernieuwd wapengekletter in de vorm van grootscheepse oefeningen van de marine van de
Volksrepubliek. Een andere telkens weer oplaaiende confrontatie met in dit geval Vietnam en de Filippijnen, betreft
de strijd over de soevereiniteit over respectievelijk de Paracellen en Spratley eilanden in de Zuid-Chinese zee. Deze
eilanden liggen erg strategisch verspreid over dit zeegebied. Bovendien bestaat er de kans dat er eens rijke
bodemschatten gevonden zullen worden in het zeegebied rond de eilanden. Na verschillende incidenten in de jaren
tachtig en negentig, lijkt het erop dat China deze eilanden en de wateren erom heen nu militair beheerst. Midden
2001 werd China het eens met de westerse landen over de voorwaarden van toetreding tot de WTO (World Trade Organisation)
in 2002. Op 13 juli 2001 werd Beijing door het IOC aangewezen als de plaats die in 2008 de Olympische spelen mag
organiseren. Dit was het sein voor de regering om een grootse modernisering in gang te zetten in vooral Beijing en
omgeving. Vele werden gedwongen te verhuizen om de oude wijken (Hutongs) te vervangen door "moderne"
wolkenkrabbers. Ook het openbaar vervoer kreeg een forse financiële injectie waarmee oa het metrostelsel
fors werd uit gebreid. Begin 2008 zijn er, onderleiding van monniken, rellen in Tibet voor een grotere autonomie
van China. Deze worden onder het oog van de publieke opinie hardhandig neer geslagen. Wat de verdere invloed
van de Spelen zullen zijn op de economie, de buitenlandse politiek en de situatie van de mensenrechten, zal zich
de komende jaren onder grote belangstelling van de wereldpers openbaren.
Bevolking: |
 |
China telt in totaal 1,3 miljard inwoners en is daarmee de natie met de grootste bevolking van de wereld. Ongeveer
20% van de wereldbevolking komt dan ook uit China. Ruim 80 procent van de mensen bewoont de in cultuur gebrachte
gebieden van het platteland, dat is slechts tien procent is van de totale landoppervlakte.
De bevolking van China
bestaat voor ruim 90 procent uit 'Han'-Chinezen, maar heeft in totaal 56 verschillende bevolkingsgroepen met ieder
een eigen cultuur en levenswijze. Veel van deze groepen leven in autonome provincies of deelstaten, min of meer onder
zelfbestuur. Een groot aantal van hen is aangepast aan de Chinese bevolking, doordat de eigen talen verboden werden en
er door de regering grote aantallen Han-Chinezen naar deze gebieden werden gestuurd. Deze namen vervolgens de lokale
macht in handen. De bevolkingsgroepen die deze politiek aanvechten, waaronder Tibetanen en Oeigoeren, worden met harde
hand op hun plaats gewezen. De Han-Chinezen (genoemd naar de Han-dynastie) zijn taalkundig homogeen in het noorden,
waar zij Mandarijn spreken (de basis van de nationale taal van China), terwijl in het zuiden Kantonees, Wu, Hakka en
veel andere dialecten worden gesproken (alleen al in de provincie Fujian worden 108 dialecten gesproken). De nationale
voertaal is het Mandarijn, dat op school onderwezen wordt. De Chinese taal is niet eenvoudig, vooral qua uitspraak.
Het is een tonale taal zoals ook het Thais en Vietnamees. Het zelfde woord kan vier betekenissen hebben, afhankelijk
van de toon. Gelijkmatig hoog, stijgend, dalend of stijgend/dalend. De geschreven taal, de karakters, kan door iedereen
gelezen worden. Er zijn tienduizenden karakters, met ongeveer 2000 ben je in staat de krant te lezen en als je er 6000
kent ben je een knappe bol. Er is een officiële transcriptie van het Chinees, het zogenaamde pinyin. Dit maakt het een
stuk makkelijker de spreektaal te leren. Het is de gesproken taal die van district tot district enorm verschilt.
De niet-Han groepen vertegenwoordigen slechts ongeveer 8% van de bevolking, maar de binnenlandse gebieden waarin
zij leven vormen meer dan de helft van het totale gebied van het land.De grootste niet-Han minderheden zijn:
- Zhuang, een Thais-sprekende bevolkingsgroep, vooral in de provincie Guangxi.
- Hui (moslims), die voornamelijk in Ningxia wonen.
- Oeigoeren, die hoofdzakelijk in Xinjiang wonen.
- Yi (Lolo), die op de grenzen van Sichuan en Yunnan leven.
- Tibetanen, die zich in Tibet en Qinghai hebben geconcentreerd.
- Miao, die algemeen in de bergachtige gebieden van Zuid-China zijn verspreid.
- Mongolen, voornamelijk wonend in de Mongoolse steppen.
- En Koreanen die in Mantsjoerije wonen.
Officieel zijn de Chinezen atheisten. Toch gelooft zowat één vijfde van de bevolking in het confucionisme.
Er is ook taoïsme, boedhisme, islam en christendom. Omdat China de grootste bevolking van de wereld heeft
brengt dit de nodige organisatorische problemen met zich mee betreffende voeding, behuizing en dergelijke. Daarom
heeft de regering in verband hiermee wetten uitgevaardigd. Die verbieden het ouders onder meer om meer dan één
kind te hebben. Hier werd in het verleden streng de hand aangehouden, wat weer leidde tot mensonterende toestanden,
zoals het vermoorden van meisjes baby's en gedwongen sterilisatie. Zeker de stadsbevolking diende zich aan deze
bepalingen te houden. Op dit moment, nu de economie en het privé-vermogen toeneemt, is het mogelijk om door het
betalen van een 'boete' een grotere kinderwens te realiseren. De minderheden hoeven zich niet te houden aan de
één-kind-politiek en zorgen voor een 'kleurige noot' in de eenheidsworst China op het gebied van kleding en
huizenbouw.
Cultuur: |
 |
Het is natuurlijk niet raar dat een zo groot land met zo’n veelheid aan geologische en klimatologische zones, een grote
variëteit aan bevolkingsgroepen en met zo’n lange historie een zeer grote verscheidenheid aan cultuurvormen
kent. Doordat de verschillende bevolkingsgroepen ieder hun eigen specifieke bijdrage aan de Chinese cultuur hebben
geleverd zijn er door de eeuwen heen, betreffende de kunst en architectuur, grote prestaties geleverd. Prachtige voorbeelden
kunnen we zien als we kijken naar bijvoorbeeld het terracottaleger in Xi'an, de Grote Muur, de vele prachtige
paleizen en tempels. Het porselein en het schilderwerk van Chinese kunstenaars getuigd van groot vakmanschap. De keizers
hebben met hun enorme rijkdom kunstenaars en nieuwe kunsttechnieken altijd gesteund (tot meerdere eer en glorie
van zichzelf) waardoor deze zich steeds verder konden ontwikkelen. Ook uitvinders hebben de ruimte gekregen van de
heersende macht. Zo heeft men in China als eerste het buskruit uitgevonden en hebben, in een zeer vroeg stadium, de
seismograaf, het papieren geld, zijde, landmeetinstrumenten en papier het licht gezien.
De Chinese muziek was van oudsher meestal traag en melodieus, ze
werd gespeeld aan het hof en bij de godsdienstige activiteiten. Vanaf de Han-dynastie (206 v.C.) kwamen Chinezen
in contact met buitenlandse culturen en kwam er veel buitenlandse muziek (vooral Arabische, Indische of Perzische
muziek) het land binnen. Al snel werd er bij het spelen van Chinese muziek ook buitenlandse instrumenten gebruikt die door
de Chinezen ook verder werden ontwikkeld, hierdoor werden veel traditionele Chinese instrumenten minder gebruikt. De
muzikanten konden, in tegenstelling tot bv schilders, geen officiële posities aan het keizerlijk hof krijgen zij waren
vaak niet meer dan lakeien. Hierdoor heeft de muziek zich in vroegere tijden niet zo snel kunnen ontwikkelen als andere
kunst vormen. Een vorm van muziek die zich vooral de laatste eeuwen heeft ontwikkeld is de Chinese opera. Een goed
voorbeeld van dit samengaan van de Chinese muziek en dans is te vinden in de opera van Peking. Dit is een zuiver Chinese
operavorm die terug gaat naar jaar 1790. Dat jaar kwamen vier opera gezelschappen van de provincie Anhui aan in Peking bij
het keizerlijke hof. De kunstenaars absorbeerden de wijsjes van de lokale opera en andere lokale opera’s en
ontwikkelde zo een geheel eigen stijl die zich ontwikkelde tot de Chinese Opera met zijn kenmerkende muziek en gebruik van
prachtige gewaden, maskers en beschilderingen van de spelers. De maskers en beschilderingen volgen hierbij traditioneel
vaste patronen voor specifieke types om de verschillen in personages te benadrukken zodat het publiek onmiddellijk kan
zien of het helden of schurken zijn, of zij vriendelijk of verraderlijk en slecht zijn.
Een heel andere vorm van dans als de opera is de (volks)dans.
Zoals met zoveel cultuur uitingen geldt het ook voor de (volks)dans dat iedere streek zijn specifieke dansen kent. Een
van de meest opvallende en kenmerkende dans binnen de Chinese cultuur is de Drakendans. Bij deze dans vormen een aantal
mensen een lange draak, de voorste in de stoet draagt de kop van de draak en de rest vormt het lichaam. De draak kan van
verschillende materialen, zoals hout, stof en crêpepapier, zijn gemaakt. De drakendans wordt vaak bij feesten zoals het
Chinese nieuwjaar gedanst, normaal gesproken buiten, vanwege de lengte van de draak. De draak verdrijft symbolisch boze
geesten, net zoals het lawaai van vuurwerk dat doet. Met nieuwjaar wordt ook de leeuwendans vaak gedanst. Met name
doordat Chinese minderheden in vele landen wonen, en doordat de dans sterk opvalt, heeft deze wereldwijd bekendheid
gekregen. Een andere bekende, nog steeds uitgevoerde, dans is de Yangge-dans. De Yangge is al zo’n 2000 jaar oud en
komt voort uit godsdienstige activiteiten en was bedoeld om de goden te begroeten en het kwaad te verjagen. Vroegen trok een
dansende groep mensen, al trommelend en vuurwerk afstekend, het dorp door maar tegenwoordig is het alleen nog een
recreatieve activiteit vaak als voorstelling voor de toeristen.
Een ander belangrijk deel van het cultureel erfgoed van China wordt gevormd door de vele vormen van schilderkunst die in China
worden beoefend. Het is moeilijk om te zeggen hoe lang de kunst van het schilderen in China al bestaat. Zo’n 5000
à 6000 jaar geleden werden er al potten in kleur beschilderd met patronen van planten, stoffen, en dieren. Deze
kunnen als het begin worden beschouwd van het Chinese schilderen. In 1964, wanneer in Astana in Turpan een graf dat
uit de Lin dynastie stamt (265- 420 n. Chr.) word gevonden werd Xinjiang, het gekleurde schilderen op papier, ontdekt.
Het, in het graf, gevonden tafereel toont, aan de bovenkant, de zon en de maan en er onder een persoon die een waaier in
zijn hand houdt. Deze afbeelding is het oudste schilderstuk op papier dat in China bekend is. Al eerder, in 1949, werd in een
graf uit de periode 475-221 B. C., schilderwerk op zijde aangetroffen met hierop afbeeldingen
van tekens, draken en feniksen. Dit is het vroegst bekende werk aangaande schilderen op zijde dat ooit in China is
ontdekt. Een andere waardevolle vondst van oude zijdeschildering is het geschrift dat in 1973 in een oud graf
(Graf No.3 van Han in Mawangdui) wordt gevonden. Het is een doek van zijde met meer dan 120.000 karakters. Het zijn
grotendeels oude werken die allang als verloren waren gewaand. Het beschrijft bijvoorbeeld de banen van vijf planeten (Venus,
Jupiter, Mercurius, Mars en Saturnus) en geeft hun cycli weer, dit alles met een veel grotere precisie als werken die later
verschenen. Men vond ook drie zijde topografische kaarten met daarop plaatsen van garnizoenen en steden. Dit zijn de vroegst
bekende kaarten in China (en de rest van de wereld), die op basis van gebiedsonderzoeken zijn gemaakt. In tegenstelling
tot hun moderne tegenhangers, tonen zij het zuiden aan bovenkant en het noorden aan de onderkant. Je kunt gemakkelijk
bedenken van welke historische waarde deze werken zijn als je er aan denkt dat zij minstens 2.100 jaar oud zijn. Vaak is een
Chinese schilder tezelfdertijd schilder, dichter en kalligrafeur. Zijn werk is gewoonlijk een geïntegreerd
geheel van drie takken van Chinese kunst, poëzie, kalligrafie en schilderen. Het traditionele Chinese schilderen onderscheid
zich van de Westelijke kunst in zoverre dat het op zijde met de Chinese borstel, de Chinese inkt en het minerale en
plantaardige pigment wordt uitgevoerd. De Chinese schilderijen zijn verdeeld in twee belangrijke categorieën:
vrije hand brushwork (xieyi) en gedetailleerd brushwork (gongbi). De eerstgenoemde wordt door eenvoudige gelijkenissen van de
voorwerpen getypeerd terwijl de laatstgenoemden door de aandacht aan detail wordt gekenmerkt. Ondanks de verschillende
technieken proberen de twee stromingen om de zelfde doelstelling, de verwezenlijking van schoonheid te bereiken.
Op dit moment wordt een nieuwe moderne schilderrichting, die de Yunanstijl wordt genoemd, zelfs in het buitenland hoog
gewaardeerd. Vooral rond Dali kun je de kunstenaars die deze richting vertegenwoordigen aan het werk zien.
Klimaat: |
 |
Door de grootte van het land en de gebergten zijn er veel klimaatverschillen met een grote verscheidenheid in
temperatuur en neerslag. De gemiddelde temperatuur in januari is in bijvoorbeeld Guangzhou 14°, in Beijing, -5° en in
Haerbin, -20° terwijl deze in juli respectievelijk 29°, 26° en 20° bedraagt. De totale gemiddelde hoeveelheid neerslag
is 619 mm. Tijdens een reis door China kunt u met alles te maken krijgen, variërend van regen tot storm, kou en hitte.
Als in de noordelijke kustprovincies de wind uit het noorden komt is er een droog Siberisch landklimaat. In de zomer is
het er zeer warm en vochtig. Naast de vele zonuren kan er ook zo nu en dan veel regen vallen.
Een puur landklimaat met droge, hete zomers en koude, strenge winters is te vinden in het westen van China. De
temperatuurverschillen tussen zomer en winter kunnen oplopen tot ongeveer 80 ºC. Zeer warm is het in de Tarim-laagvlakte.
Hier is de droogste woestijn op aarde gelegen. In de zomer kan de temperatuur in de Tarim-laagvlakte oplopen tot boven de
50 ºC. Deze vlakte wordt ook wel "de oven van China" genoemd. In het noordelijk gedeelte van China zijn de winters koud
en zeer droog. De temperaturen liggen doorgaans rond de 10°C en een gure ijskoude wind uit het noorden doet het nog
kouder aanvoelen. Vanaf maart gaat de temperatuur geleidelijk omhoog tot gemiddeld 20°C in de lente (mei-juni). Vanaf
juli en augustus wordt het drukkend warm met temperaturen van 30°C of meer en een hoge vochtigheid. Vanaf begin september
zakt de temperatuur tot waarden rond 25°C zodat het overdag nog redelijk warm is, maar 's avonds wordt het aanmerkelijk
koeler. Na half oktober komt de temperatuur overdag gewoonlijk niet boven de 15°C. In de zuidelijke helft van China zijn
de verschillen in temperatuur minder groot. De zomers zijn iets warmer dan in de noordelijke helft, maar in Guangzhou
wordt het zelfs in de winter zelden kouder dan 10°C. In juni en augustus valt in China de meeste regen. Gewoonlijk is het
droog tot in de late middag, waarna het twee uur lang onafgebroken kan stortregenen. In Zuid-China, vooral rond Guilin,
zijn mei en juni de maanden waarin de meeste regen valt. Over het algemeen zijn maart-april en september-oktober de beste
reisperiodes.
Natuur: |
 |
Door de uitgestrektheid van China kent het een zeer gevarieerde flora en fauna. Omdat milieuoverwegingen en
natuurbeschermingsmaatregelen nog geen belangrijke rol spelen in dit land, staat de oorspronkelijke flora en fauna op
veel plaatsen strek onder druk of nauwelijks iets overgebleven. In het zuiden tref je nog kleine stukken tropisch
regenwoud aan. En in afgelegen gebieden, zoals in Tibet en Xinjiang, zijn de klimatologische omstandigheden zo extreem,
dat ook hier nog gebieden zijn waar de overvloedige plantenwereld en dierenwereld voor een groot gedeelte nog intact is.
Bovendien is een bloeiende woestijn na een flinke regenbui het bekijken meer dan waard.
China heeft (had!) een zeer gevarieerde vegetatie met ca. 32.000 hogere plantensoorten. De eeuwenlange ontbossing heeft echter
diepe sporen nagelaten in het landschap en de natuur heeft daardoor vreselijk te lijden gehad onder de onvermijdelijke erosie.
De uitbreiding van de cultuurgrond heeft vooral geleid tot een bijna totale verwoesting van de vele bossen die China
ooit had.
Bossen worden nu eigenlijk alleen nog maar aangetroffen in het hooggebergte. Deze bevatten zo’n 2000 boomsoorten. In de tropische
gebieden groeien veel kokospalmen en bananenbomen, in de subtropische gebieden veel vijgenbomen, in de gematigde gebieden vind
men loofwouden en in de koude gebieden naaldwouden. Zuidoost-China is van oorsprong bedekt met een subtropisch regenwoud,
aangevuld met tropische, pacifische en Himalaja-elementen. Het bos is rijk aan bamboe, maar in de bergen komt bamboe nog
slechts sporadisch voor; hier vindt men vooral coniferen, soorten van de laurier- en de theefamilie, eiken en magnolia's. De
grootste subtropische bossen ter wereld, met meer dan 10.000 boomsoorten, bevinden zich in de provincie Sichuan. Midden-China
kende vroeger een gematigd, zeer soortenrijk regenwoud. Dat regenwoud is nu teruggedrongen tot tempelhoven en gebergten, het
rijkst op nevelhellingen, met onder andere paardenkastanjes, esdoorns, kers, kornoelje en coniferen. Hier werd het merkwaardige
'levend fossiel' Metasequoia ontdekt, en ook de cathayaboom in het grensgebied van Sichuan en Guangxi behoort tot deze categorie.
Een ander, al veel langer bekend levend fossiel, Ginkgo biloba, is als cultuurplant behouden gebleven. De ginkgo is verwant aan
de naaldbom, maar heeft in plaats van naalden, bladeren. Tot ruim 10.000 jaar geleden kwamen ze op het hele noordelijke halfrond
voor, maar nu bijna alleen nog in China. De oudste ginkgo is ca. 3000 jaar oud. Verder naar het noorden strekt zich het
onmetelijke, bijna geheel in cultuur gebrachte lösslandschap uit, dat oorspronkelijk een gematigd loofverliezend loofwoud droeg.
Resten daarvan zijn alleen in de bergen nog aan te treffen; deze zeer soortenrijke vegetatie bevat behalve vele soorten coniferen
en verder veel soorten esdoorns, berken, paardenkastanjes, elzen, eiken, linden en walnoten. Karakteristieke Chinese bomen en
struiken als Paulownia, Gleditschia en Rhododendron komen hier ook nog veelvuldig voor. Naar het noorden en noordwesten
(Mantsjoerije, Gobi) liggen steppen en woestijnen met een karige begroeiing van onder andere alsemsoorten en het voor kameelvoer
gebruikte Kalidium gracile. Naaldbosgebieden liggen vooral in de Grote Hinggan-bergen in Noord-China, met larikssoorten en
altijd groene naaldsoorten als spar en pijnboom. Het zuidwestelijke hooggebergte behoort tot de rijkste floragebieden ter aarde.
Van laag naar hoog onderscheidt men hier eerst het subtropische savannenbos tot 1800 meter (soms 2800); de onderste montane zone
(tot 2900 meter) met dennenbossen en gemengde dennen-loofbossen (met eiken en kastanjes), altijd groen bos, doornstruweel,
lauriereikenbos en steppe; de bovenste montane zone (in het zuiden tot 4350 meter, in het noorden tot 3700 meter) met
naaldbossen, Rhododendron-struwelen en hoog opschietende graslanden, en tenslotte de zeer soortenrijke alpine zone, in bijv.
Yunnan en Sichuan, waar dwergstruiken tot 4730 meter hoogte voorkomen en waar bijvoorbeeld het geslacht Rhododendron 600 soorten,
sleutelbloem 300 soorten en kartelblad 210 soorten rijk is. In het uiterste westen van Mongolië en in Xinjiang Uighur vindt men
een woestijnachtige vegetatie met doornige heesters en grassen. De belangrijkste planten zijn de tamarisk en de saxaul.
De Chinese fauna omvat zowel Aziatisch-tropische als Eurosiberische elementen, en is zeer gevarieerd. Op Chinees grondgebied
leven ca. 420 soorten zoogdieren, 1200 soorten vogels, 200 soorten amfibieën en meer dan 300 soorten reptielen. Overbevolking
en landbouw hebben ook de dierenwereld sterk teruggedrongen, een proces dat al vele eeuwen lang aan de gang is. In de
dichtbevolkte laaglanden komen nog maar weinig wilde dieren voor; zelfs vogels zijn over het algemeen zeer schaars geworden.
In de bergen en in de dunner bevolkte gebieden treft men nog de resten van een eens zeer rijke fauna aan; zo schat men het
aantal Indische olifanten in China nog slechts ongeveer 100. Wat grote zoogdieren betreft zijn de beroemde reuzenpanda of
bamboebeer
uit de westelijke provincie Sichuan, het Pater David-hert, de geweiloze waterree, een merkwaardige zoetwaterdolfijn
(Lipotes vexillifer) van het Dongtingmeer en omgeving, en enkele merkwaardige apensoorten van het geslacht Rhinopithecus de
opmerkelijkste. Ook de lepelsteur van de Yangzi Jiang en de Chinese/Japanse reuzensalamander zijn het speciaal vermelden waard.
Beschermde diersoorten zijn de Chinese kraanvogel en de Yangzi-alligator. Van de drie tijgersoorten, de Bengaalse, de
Zuid-Chinese en de Mantsjoerijse of Siberische, zijn nog maar enkele honderden exemplaren over. Op hoge plaatsen in het
zuidwesten leven noordelijke soorten als marmotten, terwijl op lagere plaatsen zuidelijke soorten overheersen, zoals de grote
Indiase civet en de goudharige aap. Op het eiland Hainan ligt het Apeneiland, een reservaat voor ca. 1000 Guangxi-apen. In het
noorden lijkt de fauna weer meer op die van Noord-Azië met op de grenzen o.a. het przewalskipaard, de wilde kameel en de
Siberische tijger, die beide zeer zeldzaam zijn. Uniek voor dit gebied zijn ook de bruine oorfazant en de Reeves-fazant, die
een staart van ca. twee meter lengte heeft. Ook leven hier sabelmarters en sikaherten, die elders in China al praktisch
uitgestorven zijn. Ten noorden van Harbin ligt een moerassig natuurreservaat, waar zeldzame Japanse kraanvogels en
witnekkraanvogels broeden. In de woestijnen van Binnen-Mongolië en Xinjiang wonen vooral knaagdieren en hoefdieren,
waaronder de saiga-antiloop. In de tropische streek Xishuangbanna, gelegen in de zuidwestelijke provincie Yunnan, leven veel
dieren die elders in China uitgestorven zijn, zoals Aziatische olifanten, neushoorns, tijgers, pythons, Maleise honingberen,
luipaarden, groene pauwen en andere zeldzame vogels, waaronder de neushoornvogel. In de bomen van de tropische wouden leven
onder andere boomspitsmuizen en gibbons. China telt ca. 300 nationale parken en natuurreservaten en verder nog vele provinciale
en lokale beschermde gebieden. Het Wolong-natuurreservaat (Wolong Ziran Baohuqu) speelt een belangrijke rol in het beschermen
van de reuzenpanda, waarvan er nog ongeveer 200 in dit reservaat leven. Andere bedreigde diersoorten in Wolong zijn de
sneeuwpanter, de stompneusaap, het muskushert en de rode langoer. Het Zhalong-natuurreservaat (Zhalong Ziran Boahuqu) is een
eldorado voor vogelaars, en was het eerste Chinese natuurreservaat. Hier leven permanent of tijdelijk 180 vogelsoorten,
waaronder acht van de vijftien kraanvogelsoorten in de wereld, waarvan er zes op de lijst van bedreigde diersoorten staan.
Van de Chinese kraanvogel leven nog maar ca. 500 exemplaren in het reservaat. In het Vogeleilandreservaat in de provincie
Qinghai strijken elk jaar ca. 100.000 trekvogels neer, waaronder ganzen, kraanvogels, gieren en de Mongoolse leeuwerik. Het
in buurt liggende Longbao-reservaat speelt een belangrijke rol in het behoud van de zwarthalskraanvogel. Het Changbaishan-
natuurreservaat in de provincie Jilin bij de Noord-Koreaanse grens ligt nog ca. 200.000 ha oerbos met onder andere de ruwe
berk, de Koreaanse den en de drakenspar. Bij Nanning, langs de Vietnamese grens, ligt het Longrui-natuurreservaat (Longrui
Ziran Baohuqu), dat de woonplaats is van de enige populatie ter wereld van de witkoplangoer. Ook de zeer zeldzame goudkleurige
camelia groeit in dit gebied. Tibet is het land van de jak, een rundersoort dat goed is aangepast aan grote hoogte en bittere
kou.
Ga naar boven. |
 |
|